Hervormen is belangrijker dan saneren.

Als keuzes gemaakt moeten worden, dan heeft de Belgische economie meer baat bij structurele hervormingen dan bij het wegwerken van het begrotingstekort.

‘Wij hebben meer gesaneerd. Nee, wij hebben meer gesaneerd…’ In de aanloop naar een nieuwe moeilijke begrotingscontrole flakkert de politieke profilering rond de openbare financiën weer op. De Nationale Bank veroorzaakte vorige week animo met de melding dat de sanering van de overheidsfinanciën, die in 2012-2013 ingezet werd, sindsdien is stilgevallen.

Cijfers van de Europese Commissie bevestigen dat beeld. Volgens die cijfers verbeterde het begrotingssaldo gecorrigeerd voor de impact van de conjunctuur onder de regering-Di Rupo met 1,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Sinds de regering-Michel is die sanering stilgevallen. Op basis van die cijfers lijkt de analyse snel gemaakt.

De details worden echter te vlot over het hoofd gezien. Volgens de Commissie was een belangrijk deel van de sanering onder Di Rupo (0,6%) toe te schrijven aan eenmalige ingrepen. Daarnaast gebeurde de inspanning volledig langs de kant van de overheidsinkomsten, die fors opgetrokken werden. De structurele overheidsuitgaven namen in 2012-2014 verder toe. Op z’n minst op dat vlak lijkt onder de nieuwe regering sprake van een koerswijziging.

Opnieuw volgens cijfers van de Europese Commissie lijkt Michel I voorlopig minder haar toevlucht te nemen tot eenmalige ingrepen, en worden de overheidsuitgaven effectief verlaagd. De overheidsinkomsten worden tot nu toe evenwel gelijkmatig verlaagd, zodat de uiteindelijke impact op de overheidsfinanciën neutraal is. De eerste stappen naar een trendbreuk lijken ingezet, maar het echte werk moet nog beginnen.

Het verhaal van de Belgische overheidsfinanciën van de voorbije 15 jaar is er een van de weg van de minste weerstand. In 1999-2014 kende België het meest soepele budgettaire beleid van alle eurolanden. De buffer die in de tweede helft van de jaren 80 en in de jaren 90 moeizaam was opgebouwd, werd vanaf 2000 vlot opgesoupeerd. Helaas werd het geld al te weinig ingezet voor initiatieven die onze economie sterker konden maken.

Wie beweert dat bij een uitgavenniveau van 
54 procent van het bbp absoluut geen besparingen meer mogelijk zijn, heeft allicht niet goed gezocht. 

Ondertussen is de buffer opgebruikt en wordt de regering steeds meer geconfronteerd met moeilijke begrotingsdilemma’s. De overheidsschuld van 106,5 procent van het bbp blijft hoog, de primaire uitgaven bedragen nog altijd meer dan 50 procent van het bbp en de Europese Commissie raamt het structurele tekort voor 2015 op 2,7 procent van het bbp of zo’n 11 miljard euro.

Bovendien komen er belangrijke uitdagingen op ons af. De doelstelling van een structureel begrotingsevenwicht tegen 2018 is een zware opdracht. Maar wie beweert dat bij een uitgavenniveau van 54 procent van het bbp absoluut geen besparingen meer mogelijk zijn, heeft allicht niet goed gezocht. Zulke inspanningen worden hoe dan ook onvermijdelijk om de zware vergrijzingsfactuur op te vangen.

Daarnaast lijken bijkomende uitgaven onvermijdelijk, onder meer op het vlak van de investeringen. Ondanks het hoge overheidsbeslag zijn de overheidsinvesteringen in België al decennialang bij de laagste van Europa. Tegen die achtergrond is het drama van de Brusselse tunnels geen verrassing. Binnen het moeilijke begrotingskader moet dan ook extra geld voor investeringen gevonden worden.

Geen fetisj 

Ondanks de budgettaire uitdagingen mogen de begrotingscijfers geen fetisj worden. Er zijn in essentie twee scenario’s waarin de overheid de begrotingsdiscipline (tijdelijk) los kan laten. Zo was het verstandig om tijdens de recessie niet krampachtig vast te houden aan de begrotingsdoelstellingen. Dat impliceert wel dat er extra inspanningen komen als de economie weer normaliseert.

De economische groei voelt nog altijd niet als normaal aan, maar bleef de jongste twee jaar wel net onder 1,5 procent hangen. Die 1,5 procent is het gemiddelde van de jongste 15 jaar. Veel beter zal het de komende jaren waarschijnlijk niet worden. Wachten op hogere economische groei heeft dan ook weinig zin.

Het structureel versterken van de overheidsfinanciën kan echter ook via hervormingen. De belangrijkste bijdrage van de huidige regering tot gezondere financiën is al gebeurd via het eindeloopbaanbeleid. Volgens het Planbureau drukken de verhoging van de pensioenleeftijd en de beperking van het brugpensioen de overheidsuitgaven op kruissnelheid met 2,1 procent van het bbp (of 9 miljard euro) per jaar. Op het vlak van de structurele hervormingen liggen nog veel opties open.

Idealiter tekent de regering zowel voor verregaande structurele hervormingen als voor de gezondmaking van de overheidsfinanciën. In het huidige klimaat wordt die combinatie allicht moeilijk haalbaar. Als keuzes gemaakt moeten worden, dan heeft de Belgische economie meer te winnen bij verdere structurele hervormingen dan bij het wegwerken van het begrotingstekort. Dat impliceert dat de stappen die al gezet zijn, zoals de taxshift en de verhoging van de pensioenleeftijd, nog maar het begin zijn.

Bart Van Craeynest 

Hoofdeconoom bij Econopolis.

Screen Shot 2016-02-26 at 11.58.46



Cet article a été rédigé par Bart Van Craeynest

le 26 février, 2016

Après ses études d’économie à l’UFSIA, Bart Van Craeynest a rejoint le secteur financier en tant qu’économiste. Il suit depuis plus de 15 années déjà les évolutions économiques en Belgique et à l’international, et jauge l’impact de ces dernières sur les marchés financiers. Après un long passage chez une grande banque belge, il est devenu économiste en chef d’un organisme financier en 2010. Depuis 2015, Bart Van Craeynest est l’économiste en chef d’Econopolis. Il est co-responsable du scénario économique de la maison et à ce titre étroitement impliqué dans la définition de la stratégie d’investissement.