Sipef en palmoliesector in het oog van de storm

Afgelopen week ontmoetten we de directie van plantagegroep Sipef. De timing van de meeting was interessant omdat de directie van dit bedrijf onlangs een open brief stuurde om meer uitleg te krijgen van het Noors pensioenfonds – een van de grootste beleggers ter wereld en een voorloper inzake duurzame beleggingen – waarom dit fonds zijn belang in Sipef verkocht.

palmolieNichespeler

Het honderd jaar geleden opgerichte Sipef is een landbouwgroep die vooral oliepalmplantages (meer dan 66.000 hectare) uitbaat en daarnaast ook plantages bezit waarop rubberbomen (circa 5.400 hectare), thee (circa 1.600 hectare) en bananen (circa 750 hectare) gecultiveerd worden. De plantages van de groep bevinden zich in Indonesië, Papoea-Nieuw-Guinea en Ivoorkust (enkel bananen). 30,6% van de aandelen wordt gecontroleerd door Ackermans & van Haaren en 12,3% door de familie Bracht.

 

Palmolie: multifunctioneel product

Uit de vruchten van de oliepalmen wordt palmolie en palmpitolie gewonnen. Na distillatie of raffinage (en/of fractionering), wordt palmolie gebruikt als grondstof in ontelbare producten in de voedingsindustrie (bv. als frituurolie, in snoep, roomijs, margarine, biscuit crème en koffie creamer) en in producten voor huishoudelijke (bv. detergenten) en persoonlijke verzorging (bv. in shampoos en zepen) en als brandstof (bv. in diesel).

In de voorbije twee decennia is het aandeel van palmolie in de wereldwijde productie van plantaardige oliën ongeveer verdubbeld tot 31%. Palmpitolie levert samen met kokosnootolie ongeveer 4% van de wereldproductie aan plantaardige oliën. Olie uit soja, raapzaad en zonnebloemen levert respectievelijk 24%, 12% en 9% van de wereldproductie aan plantaardige oliën. De verdubbeling van het aandeel van palmolie over de voorbije 20 jaar is niet zo verwonderlijk. Oliepalmen leveren immers een rendement per hectare dat twaalf keer hoger ligt dan dat van soja en 4,6 keer hoger ligt dan dat van raapzaad. Bovendien hebben oliepalmen minder nood aan bemesting, is het pesticidegebruik bij de teelt ervan lager en is er minder energie nodig om de olie te winnen.

 

Palmolievraag zit structureel in de lift

De vraag naar palmolie stijgt jaarlijks met 3 à 4%. De belangrijkste factor hierachter is de groei van de wereldbevolking. Deze zal volgens het mediaan-scenario van de Verenigde Naties toenemen van zo’n 7,7 miljard mensen vandaag tot 9,8 miljard in 2050. Daarnaast zorgt de stijgende welvaart voor een wijzigend voedingspatroon in de groeilanden. De gemiddelde Europeaan consumeert jaarlijks zo’n 60 kilo aan oliën en vetten. Zijn Amerikaanse tegenhanger heeft genoeg aan zo’n 55 kilo per jaar. In veel ontwikkelende economieën bedraagt dit cijfer momenteel slechts circa 15 tot 30 kilo. Naarmate de consumenten in deze landen welvarender worden en een meer Westers voedingspatroon gaan volgen, zullen ze meer oliën en vetten gaan verbruiken. Een andere reden voor de toegenomen vraag naar palmolie is het gebruik ervan als brandstof.

Het aanbod aan palmolie vanaf het huidige niveau drastisch doen toenemen is echter moeilijk, omdat er weinig ruimte is om het landbouwareaal verder uit te breiden.

 

Palmolieprijs rond tienjaarsdieptepunt

Op basis van de vraag-aanbodsituatie uit bovenstaande paragraaf zou de palmolieprijs (Crude Palm Oil of CPO) op lange termijn moeten stijgen. Op korte termijn is het plaatje minder rooskleurig. Door sterke oogsten (met hoge voorraden tot gevolg) van niet alleen palmolie, maar ook van concurrerende gewassen en de relatief lage prijs voor ruwe olie (beïnvloedt de vraag naar palmolie als brandstof) is de prijs van palmolie momenteel erg laag in historische context. De huidige spotprijs van zo’n 515 dollar per ton bedraagt minder dan de helft van de piek in 2009. Tegen de huidige prijs zijn veel palmoliebedrijven niet rendabel. Hierdoor gaat een aantal onder hen nieuwe aanplanten uitstellen en minder gaan bemesten. Dit zou vanaf eind dit jaar tot zwakkere oogstvolumes kunnen leiden.

palmolie-1

 

Palmolie onder vuur

In de voorbije paar jaar was er vooral in Europa veel kritiek op de palmolieproductie. Deze kritiek is deels terecht. Zo schrok een aantal spelers in de sector er niet voor terug om grote stukken ongerept tropisch woud (o.m. in Indonesië) plat te branden of te kappen voor het uitbreiden van plantages. Ook voor de kritiek op het gebruik van een voedingsmiddel als palmolie voor brandstof (15% van de totale productie aan palmolie) valt veel te zeggen. De recent aangekondigde beperkingen die Europa wil opleggen voor palmolie als brandstof zijn verdedigbaar.

 

RSPO: initiatief voor duurzame palmolie

Als antwoord op de problemen rond palmolie zette een aantal palmolieproducenten, verwerkende bedrijven, handelaars, producenten van consumentengoederen, supermarkten, investeerders en banken, NGO’s en milieugroeperingen in 2004 de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) op poten. Vandaag telt RSPO zo’n 4.000 leden. Deze organisatie ontwikkelt globale standaarden omtrent duurzame palmolie. Om door RSPO-gecertifieerde palmolie te kunnen produceren moeten bedrijven voldoen aan een uitgebreid pakket milieu- en sociale criteria. Vandaag is zo’n 19% van de wereldwijde palmolieproductie gecertificeerd. Hoewel ook op RSPO kritiek is, vormt het momenteel de beste garantie op duurzame palmolie.

 

Meer initiatieven voor duurzamere palmolie

Naast de RSPO, zien we ook dat de overheden van palmolie-producerende landen een strenger beleid gaan voeren. Zo werd in Maleisië een volledige stop gezet op de ontwikkeling van nieuwe plantages. Ook in Indonesië werd al een aantal beperkingen ingevoerd.

Ook bedrijven uit de sector lanceren initiatieven. Zo zette Sipef samen met een concurrent een joint venture op voor de ontwikkeling van betere zaden voor oliepalmen. Tegen 2028 zal deze combinatie zaden op de markt hebben waarbij het rendement van de oliepalmen bijna dubbel zo hoog zal liggen (piekproductie van 35 à 40 ton per hectare tegenover zo’n 22 ton per hectare op vandaag). Hierdoor kan de palmolieproductie op termijn (oliepalmen worden circa 25 jaar in productie gehouden) verdubbelen en dit zonder bijkomend grondbeslag.

 

Noors pensioenfonds: te voortvarend inzake palmoliebeleggingen ?

In 2017 verkocht het Noors pensioenfonds zijn belangen in palmoliebedrijven waar er duidelijke problemen waren inzake duurzaamheid. In 2018 deed het fonds al zijn resterende beleggingen in bedrijven die actief zijn in palmolie of rubber (circa 30 posities) van de hand.

Op de open brief van de topman van Sipef naar meer uitleg over de plotse uitstap door het Noorse pensioenfonds uit het kapitaal van Sipef kwam snel een antwoord. Vertegenwoordigers van het Noors pensioenfonds gaven na verduidelijkingen van Sipef aan dat ze een aantal zaken verkeerd geëvalueerd hadden, ondermeer met betrekking tot de RSPO-certificering. Zo lijkt het op het eerste zicht dat de duurzaamheid van Sipef achteruit boerde. Het percentage van het Sipef areaal dat RSPO-gecertifieerd is inderdaad gedaald. Hier is echter een eenvoudige verklaring voor: uitbreidingen van plantages kunnen enkel gecertifieerd worden wanneer een project volledig afgerond is. Alle activiteiten van Sipef voldoen echter nog steeds volledig aan de strenge standaarden die de RSPO oplegt (100% RSPO- compliant). Nu de situatie uitgeklaard is, valt het niet uit te sluiten dat het Noors pensioenfonds op termijn opnieuw aandeelhouder wordt.

 

Conclusie

Door al zijn belangen in palmolieproducenten te verkopen koos het Noors pensioenfonds voor de gemakkelijkste oplossing. Op het totaal van hun portefeuille stellen beleggingen in palmolieproducenten weinig voor en door ze te verkopen is het fonds minder vatbaar voor kritiek. Ons lijkt het beter om kritisch te blijven en enkel bedrijven te steunen die aan duurzame landbouw doen. Zelfs het WWF dat streng oordeelt over de ganse landbouw- en veeteeltsector, geeft aan dat palmolie de meest duurzame plantaardige olie is.

 



Econopolis

Dit artikel werd geschreven door Econopolis

op 2 april, 2019